Berichten

Radicalisering en terrorisme als ‘wicked problem’ voor de overheid

Op uitnodiging van het Studiecentrum voor Bedrijf & Overheid ging ik naar het Congres Radicalisering & Terrorisme in het The Hague Security Delta Campus in Den Haag.  Met open vizier ging ik op zoek naar antwoorden op een aantal vragen.

Hoe groot is het probleem eigenlijk? Hoe voorkom je radicalisering bij jongeren of nog beter het gebruik van geweld? Wat is de positie van gemeenten in dit speelveld? En hoe kun je big data, of een term die ik liever gebruik: data analyse, inzetten om een bijdrage te leveren aan de oplossing van dit probleem?

Door de ogen van een radicaal: Jason W.

De dagvoorzitter Richard Franken, directeur van The Hague Security Delta, kondigde de eerste spreker aan: Jason W. of Walters zoals hij nu gewoon weer heet. Jason is voormalig lid van de Hofstad Groep. Als je immers wil weten wat er om gaat in het hoofd van geradicaliseerde jongeren, dan kun je het maar beter aan een ervaringsdeskundige vragen.

Jason vertelt een erg persoonlijk verhaal. Hoe hij als zoon van een Amerikaanse militair en een Hollandse moeder opgroeit op de Veluwe. Braaf naar de (christelijke) kerk gaat en het goed doet op het atheneum. Hoe hij na de scheiding van zijn ouders in een volkswijk terecht komt en in aanraking komt met jongeren met een islamitische achtergrond.

Hij beschrijft een intelligente jongen, een puber, met de daarbij behorende karakteristieke zoektocht naar wie hij is, wie hij wil zijn en hoe hij zich verhoudt tot de wereld. En vooral de behoefte aan houvast in die zoektocht. Jason komt in aanraking met de islam en ervaart dat als een warm bad. Kerken zijn kil en stil, moskeeën zijn warm en levendig. En vooral, de islam heeft heldere geschriften en een duidelijke leer die hem meer aanknopingspunten bieden bij het beantwoorden van existentiële vragen waar hij als puber mee worstelt, dan de abstracties die hij ervaren heeft in het christendom.

‘De islam heeft heldere geschriften en een duidelijke leer die hem meer houvast bieden bij het beantwoorden van existentiële vragen waar hij als puber mee loopt.’

Maar dat maakte hem nog geen radicale moslim. Wat gebeurde er dan dat dit proces heeft getriggerd? Volgens Jason twee dingen:

  1. Op 9/11 boorde twee vliegtuigen zich in de Twin Towers in New York. Een neef van Jason kwam daarbij om het leven. Wat betekende dit voor hem als moslim? Het leverde een zoektocht op in vele teksten en nog verdere aanscherping daardoor van zijn denkbeelden.
  2. Het Internet was daar. En het Internet ‘ontvert’ zoals Jason het noemt. Het brengt dingen dichtbij die ver weg zijn. Je kunt bij wijze van spreken via Internet nu 24×7 volgen wat er in Syrië gebeurt.

Afbeelding: : Een Hofstadgroep-verdachte Jason W. arriveert bij de Bunker in Amsterdam  om de strafeisen van de aanklagers te horen. Bron: ANP

Het internet was een katalysator in de verdere studie van de leer en geschriften van de islam. En, zo stelt Jason, de stap van radicale islam naar het toepassen van geweld is een volstrekt natuurlijke stap, niet alleen vervat in de teksten, maar in het DNA van islam. Strijd zit in de islam als traditie. Mohammed was een staatsman op zoek naar expansie van zijn rijk. Jezus had geen macht dus probeerde geloof los te maken van politiek en macht. Een fundamenteel ander uitgangspunt, aldus Jason. Op zeer eloquente wijze licht hij verder toe hoe op basis van de leer en geschriften radicale jongeren uiteindelijk kiezen voor jihad: het toepassen van geweld teneinde de perfect Islamitische wereld te creëren.

De dagvoorzitter geeft aan dat er nog 5 minuten zijn. Maar Jason zit nog maar op de helft. Hij vertelt over zijn tijd in de gevangenis en hoe eigenlijk door verveling hij de werken van filosofen gaat lezen als Plato en Nietzsche, waarbij vooral de eerste zijn perspectief verandert. En uiteindelijk hem er toe brengt dat hij de islam de rug toekeert.

Wat leert zijn verhaal ons?

Dat geradicaliseerde jongeren niet persé vanaf geboorte een islamitische opvoeding genoten hebben? Dat pubers met existentiële vragen intellectuele voldoening zoeken? Of dat er geen geijkt patroon is voor jongeren die vatbaar zijn voor radicalisering? En sterker, voor het aanzetten tot geweld?

Jason wilde zich thuis voelen in de wereld. Welke puber niet?

Ik hoor onze chief data scientist al zeggen: N is 1…

Door de ogen van een relativerende wetenschapper: Frank Bovenkerk

Afbeelding: Frank Bovenkerk. Bron: socialevraagstukken.nl

Na het persoonlijke verhaal van Jason komt Frank Bovenkerk aan het woord. Bovenkerk is cultureel antropoloog en criminoloog en voormalig hoogleraar radicalisering aan de Universiteit van Amsterdam. Hij begint licht polemisch, zoals veel wetenschappers eigen is, door te stellen dat er geen grotere tegenstelling denkbaar is met de vorige spreker. Een compliment aan de organisatie!

Bovenkerk begint aan zijn grote relativering van het vraagstuk. Er is in Nederland al 40 jaar geen grote serieuze terroristische aanslag geweest, stelt hij. Wel wat extremistische groeperingen met neigingen, maar nooit echt met impact. Wat aardig is dat Bovenkerk radicalisering breder trekt en extreemlinks en extreemrechts benoemt als voorbeelden van radicaal gedachtegoed.

Waarop doelt Bovenkerk dan als hij het heeft over terrorisme in Nederland 40 jaar geleden? De Molukse acties. Hij somt op: 63 terroristen, 388 willekeurige burgers gegijzeld en 14 doden (8 burgers en 6 kapers).

In eerste instantie sprak niemand van terroristen. Er was zelfs wel begrip voor de motieven van de kapers. Wat Bovenkerk wil betogen: de definitie van terrorisme is vaak een politieke keuze.

‘One man’s terrorist, is another man’s freedom fighter’

OK, de definitie van terrorisme lijkt diffuus. Bovenkerk stelt dat daden spectaculair moeten zijn om vrees en angst aan te jagen (en dus niet noodzakelijk een groot aantal slachtoffers). Zie hier zijn punt: het valt allemaal wel mee met terrorisme en impact.

Bezorgdheid, alertheid en mijdgedrag van volwassenen in verband met terroristische dreiging. Bron: CBS

En hij komt op stoom, zeker voor mij als data specialist. Van alle doden in Nederland met een niet-natuurlijke doodsoorzaak, presenteert hij het volgende overzicht:

  • 1900 mensen pleegden zelfmoord
  • 646 doden door ongelukjes in en om het huis
  • 623 dodelijke verkeersslachtoffers
  • 132 doden door moord en doodslag

Meer reden voor angst voor dat soort veiligheidsincidenten dan voor terrorisme, aldus Bovenkerk. Overigens lijken de cijfers van het CBS een iets ander beeld te schetsen, maar inderdaad geen doden door terrorisme. Wat Bovenkerk maar wil zeggen, we moeten de risico’s op terrorisme relativeren.

Dan gaat hij in op de volgende vraag: hoe komt het dat sommige radicalen van mening veranderen? Hij geeft er twee:

  1. De idealen worden niet opgegeven, maar de strijdmethode verandert
  2. Men laat de idealen varen.

Bovenkerk heeft kwalitatief onderzoek gedaan bij Molukkers. Nadat ze uit gevangenis kwamen bleven de idealen intact, maar werd geweld afgezworen. Hoe dat kwam? Vooral de rol van de Molukse gemeenschap, het eerste geweld werd nog wel geaccepteerd, maar daarna niet meer. Groepsdruk dus.

En hij komt ook nog even terug op de moorden op Pim Fortuyn en Theo van Gogh. Bovenkerk stelt: dit waren politieke moorden en geen terrorisme. Hij noemt daarbij een definitie van terrorisme:

‘Geweld tegen goederen of personen door kleine groepen of individuen in naam van een ideologie, godsdienst of overtuiging waarbij het slachtofferschap toevallig is, teneinde angst te zaaien.’

De gedachte daarbij is dat de groep (de bevolking) bang wordt vanuit het idee: dit kan ons ook overkomen.

Niet het geval bij Fortuyn of Van Gogh, dixit Bovenkerk.

En hij gooit er een schepje bovenop: terroristen bereiken zelden hun doel. Het enige succesvolle voorbeeld dat hij kan bedenken zijn de Watergeuzen tijdens de Tachtigjarige Oorlog.

Bovenkerk gaat verder. Zijn er verschillen tussen links-/rechts extremisme, dierenactivisme en moslimterreur? Ja zeker:

  1. Islamitische terroristen gebruiken zelfmoord als middel tot geweld. Ze zijn bereid te sterven voor hun ideaal.
  2. Het internationale karakter van moslim terreur. Dat maakt het lastig aan te pakken, want dat vraagt om internationale samenwerking.

Er is weinig wetenschappelijk materiaal over moslimterrorisme uit de eerste hand. Anne Speckhard (Ph.D.) is de enige wetenschapper die Bovenkerk kan noemen. Speckhard heeft veel terroristen (die het hebben overleefd) geïnterviewd. Wat verbindt deze mensen, wat hebben ze gemeenschappelijk? Hoe kunnen we deze mensen herkennen? Ook zij komt niet tot een eensluidend patroon.

Bovenkerk noemt de koning Marokko die veiligheidsdiensten opdracht gaf om mannen met baarden in de gaten houden. Maar daarna gingen mensen zich scheren. Witte jurken dan? Bovenkerk wil maar zeggen: uiterlijke kenmerken zijn lastig.

Is er dan psychologisch profiel te maken? Bovenkerk noemt een Israëlisch onderzoeksbureau dat uitgaat van gedrag en niet uiterlijke kenmerken. Maar oordeelt dat dit nog onvoldoende wetenschappelijke basis heeft.

‘Het uiterlijk of gedrag van radicalen is lastig in een profiel te vatten’

Zelfmoordterrorisme is lastig wetenschappelijk te vatten. Laten we dus kijken hoe we de voedingsbodem aan kunnen pakken (radicalisering). Al snel komt dan de term ‘de-radicaliseren’ naar boven. Bovenkerk heeft veel ‘de-radicaliseringsprojecten’ onderzocht, maar daar moet je het volgens hem niet in zoeken. De ‘Dutch approach’ (red: kopjes thee drinken?) heeft niet aantoonbaar iets opgeleverd.

Wijkagenten of geheim agenten? Wijkagenten zouden in de haarvaten van de wijk zitten. Maar hoeveel geradicaliseerde jongeren ken je nou echt? Soms twee, hooguit drie. Over het algemeen gelooft hij niet in de ‘haarvaten theorie’.

En dan als uitsmijter: de rol van gemeenten in dit speelveld? Tja, de wethouder of burgemeester moet natuurlijk aan kunnen tonen dat hij zijn best heeft gedaan als het misgaat. Maar effectief?

Wat leert zijn verhaal ons?

Dat het aantal doden door terreur in Nederland zeer beperkt is. Maar misschien doen we dan iets goed? Dat de radicaal die bereid is om over te gaan tot geweld niet makkelijk terug te brengen is tot een set aan uiterlijke kenmerken of gedragskenmerken. En dat de oplossing lijkt te liggen in de gemeenschap waar de radicale jongere zich bevindt.

Door de ogen van de optimistische wetenschapper: Stijn Sieckelinck

Afbeelding:Stijn Sieckelinkc. Bron https://www.tertio.be

Stijn Sieckelinck is als onderzoeker verbonden aan het Institute for Societal Resilience aan de Vrije Universiteit Amsterdam en aan McGill University (Montreal). In tegenstelling tot Bovenkerk zit Sieckelinck in een andere modus. Wat kunnen we er aan doen? Hij heeft hier een aanpak op bedacht die hij ‘re-radicaliserren’ noemt. De premisse van Sieckelinck: radicalisme is niet het probleem, maar geweld is het probleem. Veelal is de aanpak erop gericht om het radicale gedachtegoed te bestrijden. Maar stelt hij: radicaliseren betekent dat iemand weigert de samenleving te accepteren en is dat niet bij veel pubers het geval?

Tot nu toe is het antwoord geweest: de-radicaliseren. Vaak middels mooie programma’s. Maar zo lijkt Sieckelinck de vorige spreker gelijk te geven: dat werkt onvoldoende. Tot nu toe kennen we twee strategieën:

  1. Repressie, politie veiligheid (rechts)
  2. Integratie, preventie (links)

Natuurlijk een goede veiligheidsstrategie is nodig met zaken als surveillance en handhaving maar ook preventie moet daarnaast een plek krijgen. Een sociale strategie zoals hij dat noemt. Het is zoeken naar de juiste schaal, want overreactie in de veiligheidsstrategie is ‘fuel’ voor radicalisering.

Maar zo stelt hij:

‘Complexe problemen kennen geen eenvoudige oplossingen.’

Sieckelinck zoekt de oplossing in het concept ‘wortels en vleugels’ van Janusz Korczak, een Poolse kinderarts, pedagoog en kinderboekenschrijver, Wortels vertaalt naar het Latijn betekent ‘radices’ (of radix in enkelvoud). Mensen die opgroeien in probleemwijken of in probleemgezinnen hebben vaak een gebrek aan wortels, verbinding en houvast. En juist dat brengt risico op radicalisering met zich mee. Maar er is meer nodig. Iets dat het hen vleugels geeft in hun extremisme om te kunnen ontsnappen aan hun lot (red: het verhaal van Jason Walters lijkt dit te ondersteunen).

Hiervoor heeft hij een concept ontwikkeld dat hij ‘re-radicaliseren’ noemt. Ga uit van de leefwereld van de adolescent en probeer hem niet iets ‘af te leren’ maar reik instrumenten aan om ermee om te gaan.

Afbeelding: verschillende uitgangspunten re- en de-radicaliseren

Sieckelinck herhaalt nog maar eens: er zijn geen typische antwoorden op een a-typisch probleem.

Wat leert zijn verhaal ons?

Wat blijft hangen is de bevestiging dat we het hier hebben over wat in design thinking een ‘wicked problem’ wordt genoemd. En zoals jullie weten combineren we design thinking en data science als middel om maatschappelijke vraagstukken op te lossen. Mooi dat Sieckelinck anders probeert te denken en naar wat het lijkt een experiment doet. Benieuwd of gevalideerd leren hier ook wordt toegepast. Ofwel: hoe weten we of wat we bedacht hebben ook echt werkt of niet?

Door de ogen van de jurist: Lucien Stöpler en Yolanda Rechter

In de middag zijn er parallelle workshops over een breed scala aan onderwerpen. In het programmaboekje speuren we naar voorbeelden van de inzet van data-analyse. Maar helaas geen voorbeelden of praktijkcases te vinden. Wel zijn er workshops die ingaan op de vraag: welke informatie mogen we uitwisselen en welke juridische middelen en of beperkingen zijn er?

Privacy als excuus om niet samen te werken

Lucien Stöpler heeft een politie-achtergrond waar hij bij de inlichtingendienst informatie verzamelde over terrorisme en ondermijnende criminaliteit. Nu adviseert Lucien vanuit zijn eigen bedrijf Justice In Practice overheden. Volgens Lucien ligt de oplossing in samenwerken en het opbouwen van steeds grotere netwerken. Mensen die goed geïnformeerd zijn over risico’s én vanuit hun rol daar iets aan kunnen doen geven de veiligheid aantoonbaar een impuls, zo lezen we ook op zijn website.

Lucien laat met een filmpje zien van een interview met een Poolse jongen die naar Parijs vertrok en uiteindelijk in Londen terecht kwam, waar hij dakloos werd, radicaliseerde en bereid was voor de profeet te sterven. Zijn conclusie: het is vrijwel onmogelijk om dit soort jongens ‘uit een database te halen’. Het is zoeken naar een speld in hooiberg.’

Maar wellicht wel als je het netwerk eromheen activeert. Met ketenpartners, maar bijvoorbeeld ook met burgers. Maar welke informatie wil je met je netwerk delen en hoe doe je dat dan? Lucien wijst op de AVG waarin kaders zijn bepaald over de uitwisseling van persoonsgegevens. Lucien komt met een soort checklist die we ook kennen uit onze samenwerking met de gemeente Zaanstad:

1. Gaat het om persoonsgegevens?
2. Waarom wil je dat? (doel)
3. Welke gegevens heb je dan nodig?
4. Wie is eigenaar data?
5. Hoe houden we verspreiding onder controle? (beveiliging)

Hij stelt: de wetgever heeft met opzet ruimte geboden. Neem die ruimte dan ook! (red. lees ook Lucien’s blog: ‘Privacy als excuus om niet samen te werken’)

‘Er is meer mogelijk binnen de wettelijke kaders als het gaat om het verwerken en delen van data. Het is een kwestie van goed organiseren.’

Radicalisering en de rol van de burgemeester

Yolanda Rechter is juridisch adviseur en hoofddocent Wet en Regelgeving Openbare Orde en Veiligheid bij het Studiecentrum Bedrijf & Overheid. Zij gaat vanuit juridisch perspectief in op de vraag: wat is de rol van de gemeente en wat kan en mag een burgemeester als het gaat om radicalisering?

Yolanda houdt het tempo erin en laat ons niet achterover hangen. We worden overhoord als het gaat om onze kennis van het recht. Haar boodschap: er zit een logische gedachte achter de wettelijke kaders! Denk dus gewoon na!

We beginnen bij de vraag: hoort radicalisering eigenlijk wel op het bordje van de burgemeester? Waar gaat die eigenlijk over? Antwoord: openbare orde in de gemeente. Is radicalisering een openbare orde vraagstuk? De wet geeft eigenlijk geen definitie voor openbare orde waarmee de burgemeester dit deels zelf kan invullen. Radicalisering kan worden aangepakt met begrippen als ‘verstoring’ van de openbare orde. Of in ieder geval dreiging daarvan, want het wordt pas een issue als de radicaal overgaat tot het gebruik van geweld. En zie daar de spagaat: als je wacht tot die dat doet ben je te laat.

‘Als je wacht tot de radicaal overgaat tot geweld ben je te laat.’

Wat voor middelen heeft de burgemeester eigenlijk? Opsporing hoort in het strafrecht en dus bij OM en politie. Maar de burgemeester kan als onderdeel van de ‘driehoek’ wel degelijk ‘het oliemannetje’ zijn. En bijvoorbeeld signalen doorgeven aan inlichtingendiensten en de minister van Justitie & Veiligheid die bijvoorbeeld uitreisverboden op kan leggen. En betoogt Yolanda, we vergeten nogal eens dat burgemeesters in geval van nood zelfstandig (en dus niet als lid van het college) besluiten kan nemen. En ook dat die besluiten direct van kracht zijn ook al kunnen ze later worden teruggedraaid met de reguliere bezwaar- en beroepsmogelijkheden die het bestuursrecht biedt.

Conclusie: de burgemeester heeft een verantwoordelijkheid om de openbare orde in zijn gemeente te bewaken en de middelen om dit te doen. Maar belangrijker nog is zijn rol als smeerolie tussen diverse diensten en instanties. En ‘last but not least’ is de gemeente beter dan wie ook geëquipeerd om voeling te houden op lokaal niveau.

Door de ogen van de data specialist

En zo komen we aan het einde van dit congres. Wat hebben we geleerd? Zijn de vragen beantwoord waarmee we vanochtend vroeg op pad zijn gegaan. Deels wel. Hier mijn belangrijkste ‘take aways’, vanuit ons perspectief als data science specialisten:

  • Radicalisering en terrorisme zijn lastig te definiëren en ‘vast te pakken’. Er lijkt ook geen vast patroon te zijn op basis waarvan je het risico op radicalisering kan omzetten in bijvoorbeeld een algoritme. Er lijkt ook geen bewezen aanpak te zijn die helpt bij het voorkomen van radicalisering.
  • Radicalisering kan worden geduid als een ‘wicked problem’ waarbij design thinking kan helpen om stappen te kunnen zetten in de richting van een oplossing. Onze Design Sprint methode is bij uitstek geschikt om niet-lineaire oplossingen te bedenken en te valideren.
  • Er is wel degelijk ruimte in wet- en regelgeving, ook de AVG, om data te verzamelen, te analyseren en uit te wisselen. Je moet het alleen goed organiseren.
  • De gemeente en de burgemeester kan wel degelijk een rol spelen bij dit vraagstuk. Wettelijke ruimte en instrumenten zijn beschikbaar. Ook als verbinder tussen instellingen en als luisterend oor dichtbij burgers.
  • And last but not least: de toepassingen om deze met data-analyse te ondersteunen zijn niet aan bod gekomen. Het beeld ontstaat dat die er niet zijn, zeker niet voor gemeenten. Een kans?

Wellicht dat we volgend jaar terugkomen maar dan samen met een gemeente om een toepassing voor data-analyse te presenteren. Onze oplossing voor data-analyse bij ondermijning lijkt hiervoor aanknopingspunten te bieden. Wie durft?

 

 

 

 

Vijf redenen waarom je datagestuurd werken als gemeente samen moet doen

We hebben al veel gesprekken met gemeenten en landelijke overheden gevoerd over hoe big data en artificial intelligence (AI) kunnen helpen bij het oplossen van, soms complexe, maatschappelijke vraagstukken. Zoals jullie weten geloven wij in waardegestuurd ontwikkelen als startpunt voor datagestuurd werken. Ofwel, begin bij het maatschappelijk vraagstuk (en niet de data) en kijk vervolgens hoe je de mensen die met dat vraagstuk in de praktijk bezig zijn een stap verder kan helpen.

We geloven in klein beginnen, in het ontwerpen van prototypes om te kunnen toetsen of wat we bedacht hebben ook waarde toevoegt, alvorens we het gaan omzetten in een daadwerkelijk te gebruiken ‘data-applicatie’. Maar dat is maar het begin. Uiteindelijk zou je om maatschappelijke vraagstukken echt aan te pakken deze applicaties moeten opschalen. En niet alleen binnen je eigen organisatie. Hieronder vijf redenen waarom samenwerken loont, ook met externe partijen.

1. Het aantal en de complexiteit van maatschappelijke vraagstukken is te groot

Hoe goed je datalab of afdeling O&I ook is, je kunt simpelweg niet alles zelf doen. Het aantal uitdagingen is te groot en de complexiteit ervan te omvangrijk. Kijk bijvoorbeeld naar het maatschappelijke vraagstuk van ondermijning.  of de opgave voor gemeenten om het woningaanbod aan te laten sluiten bij de explosief stijgende vraag. En dan laten we het klimaatprobleem, het mobiliteitsvraagstuk en de uitdagingen in het sociaal domein maar even buiten beschouwing.  Als je alles zelf gaat doen dan kom je nooit aan alles toe, of aan alles maar een beetje.

2. Pluk het laaghangend fruit zelf, maar leg de boomgaard aan met anderen

Je kunt de organisatie al een flink eind vooruit helpen met betrekkelijk eenvoudige dashboards. Tools als PowerBI van Microsoft of Qlikview en Tableau zijn prima om een beschrijvende analyse visueel aantrekkelijk te maken. Hiervoor heb je geen data scientists nodig. Wil je echter doorgroeien in het Gartner Analytic Ascendancy Model naar diagnosticerende of voorspellende analyses, dan heb je andere expertise en technologie nodig. Stel jezelf als gemeente de vraag of je die kennis aan boord hebt, kan krijgen of nog moeilijker, kan houden.

3. Maatschappelijke vraagstukken zijn grensoverschrijdend

Wil je echt maatschappelijke vraagstukken aanpakken, dan zal je dat veelal samen met andere overheden en ketenpartners moeten doen. Neem nou de woningopgave. Mensen willen vaak dichtbij hun werk wonen en niet noodzakelijk in de stad waar de werkgever is gevestigd. Hoe zou het woonbeleid eruit zien als je het als regionale opgave  aanvliegt? Maar is je dataplatform of afdeling hier voor geëquipeerd? Kun je de datagedreven toepassing die je ontwikkelt voor woonbeleid ook opschalen naar gemeenten en ketenpartners regio? En die ook nog eens doorontwikkelen en onderhouden?

4. Iedere euro kan je maar één keer uitgeven

Als je alles zelf wil doen dan kost dat simpelweg te veel geld. De gemeente Amsterdam is zijn eigen dataplatform aan het bouwen en dat kost ongeveer 6 miljoen. Het dataplatform stelt de gemeente in staat om data te beheren en via interfaces beschikbaar te stellen aan de eigen organisatie en externe partijen. Zo’n platform is een mooie randvoorwaarde, maar dan heb je nog geen datagedreven toepassingen. Daarvoor zul je een applicatieplatform moeten bouwen met technologieën als ‘R’, Python, Tensorflow etc. Ziet u zichzelf al een plan indienen bij de raad voor 10 miljoen of meer?

5. Iedere partner kan zich richten op haar kerntaken

De overheid is gebouwd op accountability, op publieke controle en politieke besluitvorming. Allemaal ingrediënten voor een betrouwbare organisatie gericht op continuïteit en maatschappelijk draagvlak. Maar wil je tempo maken en dicht op ‘cutting edge’ technologie zitten, dan is het verre van ideaal. Commerciële partijen worden veel meer aangestuurd op effectiviteit en efficiency en kunnen daardoor sneller schakelen. En ook bij de opschaling van toepassingen kunnen zij meer meters maken. In ons huidige bestel zal iedere afzonderlijke gemeente overtuigd moeten worden van de meerwaarde van een toepassing. Sales en marketing dus. Niet de core business van een gemeente.

Advies: Samen Organiseren 2.0!

Datagestuurd werken biedt kansen voor gemeenten om op een innovatieve manier maatschappelijke vraagstukken op te lossen. Gemeenten zouden hun aandacht moeten richten aan het op orde brengen van hun data. Een goed ingericht dataplatform met open interfaces (Common Ground?) helpt om met die data vervolgens aan de slag te kunnen. Voor wat betreft het ontwikkelen van toepassingen is het prima om zelf een groot aantal beschrijvende analyses te doen, maar voor complexere analyses en het opschalen daarvan naar andere gemeenten is het beter om samen te werken.

De markt kan helpen bij het opschalen van toepassingen. Zowel in technische zin door een platform te bouwen waarop je software kan delen, maar ook door andere gemeenten te stimuleren daar gebruik van te maken. Door goede afspraken te maken met een marktpartij kun je voorkomen dat je in een ‘vendor-lockin’ terecht komt. Bijvoorbeeld door af te spreken dat investering in ontwikkeling maar één keer in rekening gebracht kan worden en door een goede exit-strategie af te spreken.

Geïnteresseerd in onze datagestuurde aanpak?
Kijk dan op onze website voor onze aanpak voor datagestuurd werken of lees onze vorige blogs Van datagestuurd naar waardegestuurd werken en Waarom de Design Sprint dé oplossing is voor datagestuurd werken bij overheden. Of neem gewoon contact met ons op!

Eén dag in de bajes: inzichten in de aanpak van ondermijning

Het was een prachtige nazomerdag, maar wij zaten binnen in ‘de Lik’ – een oude gevangenis in het centrum van Utrecht. Het deed me denken aan Alcatraz, dat ik altijd zag liggen tijdens het hardlopen toen ik nog in San Francisco woonde. Andere deelnemers hadden meer een associatie met de TV-serie ‘Prison Break’. Het was hoe dan ook een perfecte locatie voor het congres ‘Ondermijning & Georganiseerde Criminaliteit‘. Wij hebben daar onze casus van een datagedreven aanpak van ondermijning met de gemeente Zaanstad gepresenteerd. Maar er waren nog veel meer interessante presentaties.

Ondermijning

Prinsjesdag is net achter de rug en daar werd opnieuw bevestigd dat er eenmalig 100 miljoen euro vrijkomt om de aanpak van ondermijnende criminaliteit te intensiveren. Structureel is daarnaast vanaf 2019 nog eens 10 miljoen euro extra beschikbaar. Het geld wordt vooral gebruikt om in alle regio’s ‘de integrale aanpak te verbeteren’. Een prachtige stap vooruit, maar ‘bij lang na niet genoeg’, aldus Emile Kolthoff, hoogleraar criminologie en lector Ondermijning aan Avans Hogescholen. Sterker nog, hij stelt ter discussie of we hiermee überhaupt in de buurt van criminele organisaties kunnen komen. Niet gek gegeven de recente inschatting van de omvang van alleen al de handel in synthetische drugs (19 miljard euro op jaarbasis) zoals recentelijk is gepubliceerd.  

Het centrale thema van de dag is Ondermijning. Maar wat is dat nu precies? Met wie wij ook spreken, iedereen lijkt een eigen definitie te hanteren. Kolthoff gebruikt de definitie uit de parlementaire enquête Van Traa:

‘Ontwrichting van maatschappelijke structuren en fundamenten en aantasting van de rechtstaat als gevolg van georganiseerde criminaliteit, die als kenmerk heeft: de bereidheid tot het toepassen van geweld en het infecteren en compromitteren van legale elementen en structuren van onze maatschappij.’

Professor Jan Brouwer, hoogleraar Openbare Orde en Recht aan de Rijksuniversiteit Groningen, kan zich daar deels in vinden, maar neemt vooral een juridisch standpunt in en beschouwt de ondermijningsaanpak als een reactie op falend strafrecht. Ook hij noemt de Miljoenennota waarin ondermijning wordt getypeerd als ‘niet zichtbare criminaliteit’ – waar Brouwer het niet mee eens is. ‘Proberen je te onttrekken aan het zicht, is de core business van criminelen’. Hij gaat zelfs een stap verder. Data wijst bijvoorbeeld uit dat elke 20 minuten in Duitsland een lading gestolen wordt uit een vrachtwagen. De vraag is waarom dit niet onder ‘ondermijning’ valt?

Erkennen, experimenteren & samenwerken

Met enig pessimisme constateert Kolthoff dat we een flinke achterstand hebben en de vraag is hoe we dit moeten aanpakken. Hij biedt echter ook aanknopingspunten voor verbetering, waarvan we er een paar hier noemen:

  • In beginsel vooral erkenning op politiek-bestuurlijk en beleidsbepalend niveau. Als er geen politiek draagvlak en beleid is, kan ook niet verwacht worden dat de operationele organisatie hier prioriteit aan geeft.
  • Investeren in en experimenteren met onorthodoxe maatregelen. Dat is iets waar wij uiteraard enthousiast op reageren, waarbij wij onze Design Sprint inzetten om gecontroleerde experimenten te faciliteren en onorthodoxe maatregelen te ontwerpen, gebruik makend van data, datascience en machine learning.
  • Tot slot: beter samenwerken en onderling afstemmen. Dit laatste hebben wij ook ondervonden bij onze Design Sprint rondom ondermijning in de gemeente Zaanstad waarbij de stapeling van signalen inzichtelijk zijn en onderlinge communicatie en samenwerking ondersteund wordt. Soms kan het zo zijn dat iemand niet mag weten wat er precies speelt, maar dat er iets op een adres speelt kan zeer waardevol zijn bij het orchestreren van de aanpak.

Juridische kaders

Brouwer constateert een verschuiving van de aandacht van het strafrecht naar het bestuursrecht. Het bestuursrecht biedt immers veel meer mogelijkheden om criminaliteit aan te pakken. Ter verduidelijking noemt Brouwer een casus van een oud-studiegenoot, die maar liefst 540 onbetaalde parkeerbonnen had. Strafrechtelijk lastig aan te pakken in die tijd. Nu valt dit onder het bestuursrecht en zou een dergelijke situatie niet meer voorkomen.

Ter illustratie noemt hij ook onderzoek dat is gedaan naar de wetgeving in Nederland in vergelijking met andere landen met betrekking tot de aanpak van Outlaw Motor Gangs (OMG). Andere landen hebben aanzienlijk meer mogelijkheden en gaan soms heel ver – zo worden OMG-leden die in de gevangenis zitten in Australië verplicht om roze pakken te dragen.

Dat is volgens Brouwer de kern van de huidige aanpak van ondermijning: via het bestuursrecht wordt de juridische slagkracht vergroot. Maar, zo waarschuwt Brouwer, daar is het bestuursrecht niet voor bedoeld en zijn de bestuursdiensten (lees: gemeenten) niet voor geëquipeerd.

Intelligence & Informatievoorziening

Naast het vergroten van de (beleids)capaciteit bij gemeenten en het beter opleiden van ambtenaren is het verbeteren van de informatievoorziening, of informatiepositie, een van de sleutels voor gemeenten en burgemeesters. Een aantal burgemeesters heeft een concept ondermijningswet voorgesteld met daarin meer bevoegdheden voor het aanpakken van ondermijnende criminaliteit. ’Gemeentelijke diensten en bedrijven zijn verplicht ten behoeve van deze taak de noodzakelijk gegevens te verstrekken’. Burgemeesters moeten zo een betere ‘intelligence’ positie krijgen. Toegang tot data en slimme technologie helpen vervolgens om de intelligence positie ook daadwerkelijk te verbeteren. De druk om hierin te voorzien is enorm groot.

Uiteindelijk is het een kwestie van lange adem, flink doorzetten en stevig investeren.  

Schaduweconomie

Aan de hand van een casus wijst Désirée Schmalschläger, burgemeester van de gemeente Nuth, op de schaduweconomie. Maar ook op  de complexiteit van het handelen en acteren op een draaideur crimineel. ‘We zullen hem binnenkort wel weer tegenkomen. Van pillen en prostitutie tot wapenhandel’.  Haar tip: neem een bedrijventerrein in je gemeente en ga er eens met een vlooienkam door – ga ieder bedrijf langs en licht ze allemaal door. Je zal verrast zijn wat je dan tegekomt.

Maar flink doorzetten is lastig met het gebrek aan handen in bijvoorbeeld de gemeente Nuth met een halve halve FTE voor veiligheid en openbare orde. Op die manier blijft men containers met chemisch afval van synthetische drugsproductie aantreffen of wordt het gif zelfs met gierwagens over het land uitgestrooid.

Een ander voorbeeld dat telkens terugkwam: 10 kapperszaken in een kleine straat, waarvan een aantal zaken niet eens een stoel hadden staan. Lijkt sterk op de nagelstudio’s en glazenwassers die we in andere gemeentes horen: uit de data blijkt dat er verhoudingsgewijs veel meer bedrijven in een branche zitten dan de locatie rechtvaardigt. Dit heeft alle schijn van een vorm van ondermijning.

Ik moest direct denken aan onze Milieu Navigator die we ontwikkeld hebben voor de gemeente Eindhoven om op basis van slim combineren van data de bedrijven met het hoogste risico inzichtelijk maken en zo gerichter controles kunnen doen.

Levensbedreigende situaties

Fons Jacobs  – oud burgemeester Helmond – vertelde een schrijnend verhaal over een levensbedreigende situatie en hoe hij daar mee om moest gaan. Met humor en spot vertelde hij over de situatie en wat hij er van geleerd heeft. Voornaamste lessen: beter voorbereiding, nooit meer onderduiken, zelf betrokken blijven en zoveel mogelijk zelf regie houden.

Datagedreven aanpak ondermijning in Zaanstad

Zelf heb ik met Johan Cnossen van de gemeente Zaanstad een presentatie gehouden over het prototype dat we ontwikkeld hebben voor een datagedreven aanpak ondermijning. In een bomvolle zaal hebben we stilgestaan bij de ondermijningsproblematiek in Zaanstad, hun ambitie met betrekking tot datagedreven werken en de Design Sprint die we gezamenlijk gedaan hebben.

Positieve reacties, veel vragen en uiteraard gezonde kritische kanttekeningen hoe we omgaan met privacy aspecten (antwoord: privacy by design!).

Conclusies

Een zeer geslaagd congres op een prachtige herfstdag en een briljante locatie. Mijn samenvatting van de dag in 3 punten:

  • Ondermijning is een onderwerp dat leeft en verschuift van bewustwording naar aanpak!
    • Grootste wens: gezamenlijk en integrale aanpak tussen partijen
    • Grootste zorg: is iedereen wel wie die zegt dat hij is?
  • Datagedreven initiatieven ter ondersteuning van de aanpak staan nog in de kinderschoenen, maar de verwachtingen zijn hoog.
    • Grootste wens: optimale intelligence – alle relevante informatie inzichtelijk. Signaleringsfunctie.
    • Grootste zorg: privacy aspecten, beschikbaarheid (en onderhoudbaarheid) van data
  • Iedereen zoekt naar nieuwe manieren en handvatten om ondermijning aan te pakken.
    • Grootste wens: meer geld en ruimte voor experimenten, nieuwe manieren voor aanpak en een echt verschil maken.
    • Grootste zorg: niet kunnen bijhouden van georganiseerde criminaliteit door juridische kaders.

En, als er iets is waar iedereen het over eens is: die 100 miljoen is slechts een druppel op de gloeiende plaat.

Naar een datagestuurd veiligheidsbeleid

‘Veiligheid, criminaliteit en openbare orde is het belangrijkste thema bij de raadsverkiezingen’, aldus een artikel begin dit jaar in Binnenlands Bestuur. Iedere gemeente, van groot tot klein, is momenteel bezig om een aanpak te ontwikkelen veelal onder de noemer ‘ondermijning’. Burgemeesters zijn tegenwoordig ‘crime fighters’ en gemeenten zoeken onder regie van RIEC’s (Regionale Inlichtingen en Expertise Centra) steeds meer de samenwerking op met ketenpartners als politie, OM en Belastingdienst voor de bestrijding van (ondermijnende) criminaliteit.

Datagedreven aanpak ligt voor de hand

Een efficiënte samenwerking met ketenpartners en het slim gebruik van data en technologie zijn de sleutels voor een modern veiligheidsbeleid. Gemeenten zijn zich steeds meer bewust van de hoeveelheid data waarover zij (kunnen) beschikken en zoeken naar mogelijkheden om deze te benutten. In eerste instantie om een goed beeld te krijgen wat er nu precies speelt, maar vooral om op basis daarvan preventieve en repressieve maatregelen te kunnen nemen. Want wat heb je aan een inzicht dat je niet om kan zetten in handelen?

Winst door data snel toegankelijk te maken
Wanneer medewerkers een signaal krijgen dat er iets mis is met een pand, vraagt onderzoek soms dagen en dan heeft men vaak nog niet alle relevante informatie. Door data bij elkaar te brengen en makkelijk inzichtelijk te maken, kan veel tijd worden bespaard. Medewerkers moeten soms wel in 10 systemen inloggen, om een goed beeld te krijgen. Data analyse zorgt ervoor dat alles met 1 druk op de knop inzichtelijk wordt gemaakt. Daarnaast worden patronen zichtbaar waardoor je niet alleen afhankelijk bent van externe signalen om te gaan onderzoeken.

Chinese muren door privacy
Binnen gemeenten zijn verschillende afdelingen bezig met fraude, criminaliteit en openbare orde, ieder vanuit een eigen invalshoek. Tussen de afdelingen zitten vaak ‘Chinese muren’. Zo zijn medewerkers in het sociale domein bezig met bijstands- en zorgfraude, binnen burgerzaken met adresfraude en binnen het ruimtelijk domein met woonfraude. In verband met de privacy mogen zij niet zomaar informatie uitwisselen. Hierdoor bestaat het risico dat afdelingen elkaar tegenwerken. Als het team ‘High Impact Crimes’ een pand vol afluisterapparatuur heeft hangen, dan wil je niet dat handhavers bij hetzelfde pand aan gaan bellen in verband met het vermoeden van woonfraude.

Winst door slimme samenwerking
Maar ondanks de beperkingen die er zijn voor informatie uitwisseling tussen afdelingen, kan je wel inzichtelijk maken (mits je autorisatie hebt) dat meerdere afdelingen bezig zijn met een pand of persoon zonder detailinfo te verstrekken. Dit ter voorkoming dat men elkaar intern voor de voeten loopt. En daarnaast kan een opeenstapeling van signalen wel eens op meer kunnen duiden. Het goed inregelen van autorisatiemechanismen en toepassing van audit en logging functionaliteit voorkomt onrechtmatige toegang tot gegevens.

Design Sprint legt de ‘pijn op de werkvloer bloot’.
Met verschillende gemeenten heeft Shintō Labs een zogenoemde Design Sprint gedaan rond thema’s als ondermijnende criminaliteit, fraude en woonoverlast. Het snel toegankelijk maken van meerdere databronnen zorgt voor enorme efficiencywinst en bevordert de samenwerking tussen interne en externe ketenpartners. Goede autorisatiemechanismen en beveiligingsmaatregelen zorgen ervoor dat het ook rechtmatig gebeurt, maar daarover in de volgende blogs meer.

Geïnteresseerd in onze datagestuurde aanpak?
Kom naar het Congres Ondermijning & Georganiseerde Criminaliteit waar we samen met de gemeente Zaanstad een presentatie verzorgen met als titel ‘Datagedreven aanpak van ondermijning’. Of check de praktijkvoorbeelden voor Ondermijning en Woonoverlast. Het is ook mogelijk het webinar terug te kijken dat we hebben georganiseerd samen met de gemeente Zaanstad.

Woningbouwmonitor als clouddienst beschikbaar!

Nieuwe blog: van datagestuurd naar waardegestuurd werken